Canontegel 12 1932 Vruchtbare hooilanden tot komst Afsluitdijk

‘De zee geeft, de zee neemt’ is een bekende zegswijze die in het verleden vooral in verband werd gebracht met de rampen als ‘vergoeding’ voor dat wat hij geeft, of het nu vissers waren die op zee bleven, of land en dorpen die werden verzwolgen. In Eemnes, nog voor er sprake was enig dorp langs de dijk, heeft de Zuiderzee wat nu de Eempolder is onbewoonbaar gemaakt. Als vergoeding bracht hij jaarlijks een laagje vruchtbare klei op het kustland. Dat gebeurde ook nadat de Eemnesser boeren omstreeks 1400 de Zomerdijk hadden aangelegd. Bij lente- en herfststormen liep de dijk evengoed bijna jaarlijks regelmatig over, of brak door met de vele waaien tot gevolg.

Het slib was rijk aan mineralen die een natuurlijke bemesting vormde voor het gras in de polder. Mest van vee werd er dan ook niet opgebracht. Dat werd gebruikt voor de akkers op de hoger gelegen grond aan de Larense kant. Jaarlijks kwamen uit Duitsland (vooral Westfalen) zogenaamde Hannekemaaiers om voor de boeren het gras te maaien, dat daarna in de zomerzon werd gedroogd. Zij dankten hun bijnaam aan Johannes of Hannes en Sint-Jansdag, 24 juni, waarop ze meestal begonnen.

De boeren hadden niet al dat gras zelf nodig, maar verkochten er veel van als veevoer, ook voor paarden. Het Eemnesser gras was, net als dat uit de omgeving van Genemuiden, bekend om zijn hoge kwaliteit en werd dan ook in wijde omgeving verkocht. De situatie veranderde drastisch toen sinds de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 de polders niet meer overstroomden met slibrijk water. De grond verarmde en had andere bemesting nodig. Ondertussen was ook al de mechanisatie in de landbouw begonnen. Door twee paarden getrokken maaimachines vervingen al de Hannekmaaiers.

 

Afbeelding: nr12.tif

Tekening: Rob du Rieu.

Related posts